Bestuurdersaansprakelijkheid

Bestuurders treden op namens en voor rekening van de rechtspersoon. Hun handelen - op grond van hun vertegenwoordigingsbevoegdheid - wordt aan de vennootschap toegerekend. Zij zijn zelf níet aansprakelijk voor schulden van de vennootschap. Dit is het wezen van de rechtspersoon, die zelfstandig drager is van rechten en verplichtingen, en ligt ten grondslag aan Boek 2 BW. Dit belangrijke uitgangspunt is door de wetgever en ook de rechter voor bepaalde specifieke schulden in bepaalde uitzonderingssituaties doorbroken. Er bestaan verschillende wettelijke regelingen, in het privaatrecht, het fiscaalrecht en het strafrecht, waarin aansprakelijkheid van bestuurders wordt aangenomen. Het moet dan wel gaan om een 'voldoende ernstig verwijt' om te voorkomen dat bestuurders hun gedrag te zeer laten bepalen door de angst aansprakelijk te worden gesteld. Dit criterium werd voor het eerst gehanteerd in de rechtspraak (HR Staleman/vd Ven) en op 1 januari 2013 ook wettelijk vastgelegd in art. 2:9 lid 2 BW, en geldt voor zowel interne als externe aansprakelijkheid. Wanneer sprake is van een voldoende ernstig verwijt is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hoewel er voor aansprakelijkheid van een bestuurder aldus een hogere norm bestaat dan voor een niet-bestuurder, is het zijn van bestuurder in een rechtspersoon beslist een serieuze aangelegenheid. Ook tegenover de vennootschap zelf is een bestuurder gehouden tot een behoorlijke taakvervulling (interne aansprakelijkheid). Feitelijke beleidsbepalers kunnen in een aantal gevallen ook aansprakelijk worden gesteld.


Verschillende grondslagen voor aansprakelijkheid

Bestuurders kunnen bijvoorbeeld worden aangesproken door de curator (of rechtstreeks door individuele schuldeisers op grond van onrechtmatige daad) in geval van een faillissement voor het tekort in de boedel, wanneer zij kennelijk onbehoorlijk hebben bestuurd en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het behoeft niet de enige oorzaak te zijn van het faillissement. Het kennelijk onbehoorlijk bestuur - als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zo zou hebben gehandeld - moet zich hebben voorgedaan in de periode van drie jaren voorafgaand aan het faillissement en moet worden bepaald in de concrete omstandigheden van het geval. Het onbehoorlijke van de taakvervulling moet onmiskenbaar zijn en ernstig verwijtbaar. Een bestuurder kan tegenbewijs leveren. Kennelijk onbehoorlijk bestuur kan zich onder meer voordoen bij mismanagement, het onttrekken van gelden, verhaalsbenadeling, selectieve betaling van schuldeisers, betalingsonwil. Het komt in iedere casuspositie aan op een weging van alle feiten en omstandigheden in hun totaliteit en in hun onderling verband en samenhang.

Hoewel de lat voor het aannemen van kennelijk onbehoorlijk bestuur hoog is gelegd - er moet sprake zijn van ernstige verwijtbaarheid - komt de wetgever de curator tegemoet indien niet is voldaan aan de boekhoud- en publicatieplicht. In dat geval staat het kennelijk onbehoorlijk bestuur ook voor het overige vast (onweerlegbaar) en neemt de rechter een vermoeden aan dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dit vermoeden is weerlegbaar. De bestuurder kan bijvoorbeeld aantonen dat er een andere belangrijke oorzaak is van het faillissement (die niet kwalificeert als kennelijk onbehoorlijk bestuur).

Indien de bestuurder namens de vennootschap een overeenkomst aangaat terwijl hij weet of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap de verplichtingen uit de overeenkomst niet kan nakomen en geen verhaal zou bieden, kan de bestuurder persoonlijk worden aangesproken op grond van onrechtmatige daad, HR 6 oktober 1989, NJ 1990, 286 (Beklamel), behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. Ten aanzien van lopende verplichtingen, wanneer de bestuurder eenmaal weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat de rechtspersoon zijn verplichtingen niet meer kan nakomen, kan op hem de plicht rusten de wederpartij die nog prestaties dient te verrichten, hiervan op de hoogte te stellen. Het opwekken of instandhouden van de schijn van kredietwaardigheid wordt een bestuurder ernstig aangerekend.

Andere belangrijke aansprakelijkheidsgrondslagen zijn neergelegd in art. 2:216 (dividenduitkeringen) en art. 2:180 BW (inschrijvingsplicht BV). Ook kan sprake zijn van een vrijwillige aansprakelijheid, bijvoorbeeld indien de bestuurder zich in een bepaalde rechtsverhouding, zoals een kredietovereenkomst tussen de vennootschap en de bank, tevens hoofdelijk heeft verbonden (aansprakelijkheid uit overeenkomst van borgtocht).

Op bestuurders kunnen ook persoonlijke zorgvuldigheidsnormen rusten, met name wanneer zij diensten verlenen waarvoor een specifieke deskundigheid is vereist. Een handelen in strijd met deze normen kan een onrechtmatige daad opleveren waarvoor geen 'ernstige' verwijtbaarheid is vereist (HR 23 november 2012, NJ 2013/302, ook: HR 5 september 2014, RvdW 2014/104). Er is in dat geval geen sprake van een taakvervulling als bestuurder (business judgment) in de zin van Boek 2 BW.


Aansprakelijkheid voor belastingschulden: voldoen aan meldingsplicht

Voor schulden van de rechtspersoon uit hoofde van sociale zekerheids- en belastingwetgeving kan de bestuurder onder omstandigheden hoofdelijk aansprakelijk zijn. De Belastingdienst kan bij de invordering van belastingschulden kiezen voor zowel publiekrechtelijke als civielrechtelijke mogelijkheden, zoals de actie uit onrechtmatige daad of een aanvraag tot faillissement (let op de mogelijkheden van de curator indien sprake is van nalatigheid terzake van boekhoud- en publicatieverplichtingen). Daarbij is zij wel gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een bestuurder dient op grond van de Invorderingswet tijdig en op de juiste wijze te voldoen aan de meldingsplicht aan de Belastingdienst indien de rechtspersoon niet tot betaling van de schulden in staat is. Die niet-betaling mag niet te wijten zijn aan kennelijk onbehoorlijk bestuur.


Aansprakelijkheid van bestuurders van een buitenlandse vennootschap

Ook voor een buitenlandse vennootschap, zoals de LTD naar Engels recht geldt vaak de hoofdregel: Als rechtspersoon is de vennootschap zélf aansprakelijk voor schulden jegens derden, en niet haar bestuurder(s). Een Nederlandse rechter kan te maken krijgen met een casuspositie betreffende de aansprakelijkheid van bestuurders in buitenlandse rechtspersonen. De rechter is dan ambtshalve gehouden te onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Regels van internationaal bevoegdheidsrecht zijn van openbare orde. Indien de buitenlandse vennootschap haar hoofdvestiging in Nederland heeft, kan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomen op grond van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Vervolgens doet zich de vraag voor of ook het Nederlands recht van toepassing is. Uit art. 10:117 en 118 BW volgt dat de LTD een corporatie is die wordt beheerst door het recht van de Staat naar welks recht zij is opgericht (incorporatiestelsel). Ook de aansprakelijkheid van de bestuurder van een LTD wordt in beginsel beheerst door Engels recht (op grond van art. 10:119 sub d en e BW). Dat de vennootschap haar werkelijke zetel in Nederland heeft, in Nederland is onderworpen aan heffing van vennootschapsbelasting, en in Nederland failliet kan worden verklaard, maakt dit niet anders. De rechter dient de door de IPR-regels, die deel uitmaken van het Nederlandse recht, aangewezen regels van buitenlands recht ambtshalve toe te passen. Toch loopt een bestuurder van een LTD in Nederland ook het risico persoonlijk aansprakelijk te worden gesteld op grond van Nederlandse regels. Art. 10:121 BW maakt bijvoorbeeld een belangrijke uitzondering op de incorporatieleer. In de rechtspraak zijn bestuurders van LTD's in de afgelopen jaren aansprakelijk gehouden omdat niet was voldaan aan de Nederlandse boekhoudplicht en dit kennelijk onbehoorlijk bestuur opleverde in de zin van art. 2:138 BW, en een (weerlegbaar) vermoeden dat dit een belangrijke oorzaak was van het faillissement. Vanwege de in Nederland gehuldigde incorporatieleer kan de boekhoudplicht dan niet gestoeld worden op art. 2:10 BW maar wordt zij bijvoorbeeld op grond van art. 3:15i BW aangenomen. Op de toepassing vervolgens van de rechtsgevolgen uit art. 2:138 lid 2 BW, nu art. 2:10 BW niet is overtreden, kan men dan overigens wel kritiek hebben. Ook indien een vordering ter zake van de aansprakelijkheid als bestuurder niet wordt gebaseerd op “het recht inzake vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen”, maar op een onrechtmatige daad en de schade in Nederland veroorzaakt werd, kan daarop weer Nederlands recht van toepassing zijn.

 Deel deze informatie :

Vragen over LTD oprichten - Bellen van 9.00 tot 18.00 uur
BMM Certified Trade Mark Attorney

Lees ook


LTD by guarantee

Beperkt aansprakelijk zonder DGA salaris


Online aanbieding: LTD

Online oprichting LTD met 20% korting


Geruisloze inbreng
Van eenmanszaak of VOF naar BV of LTD

Voordelen Holding

Kies optimaal rendement en fiscaal voordeel met een holdingstructuur