
De Trust, een rechtsverhouding waarvan met name in landen met een Anglo-Amerikaans rechtsstelsel veelvuldig gebruik wordt gemaakt, vindt geen grondslag in het Nederlandse recht. Trustvormen kennen vele variaties, die enkele algemene kenmerken gemeen hebben. Bij de Trust vertrouwt de inbrenger (settlor) door middel van een eenzijdige rechtshandeling en overdracht vermogensbestanddelen toe aan een beheerder (trustee). De trustee dient deze vermogensbestanddelen en de inkomsten daaruit overeenkomstig de trustakte aan te wenden voor bepaalde begunstigden, de zogenaamde beneficiaries. Hoewel het trustvermogen toebehoort aan en bestuurd wordt door de trustee, blijft het afgescheiden van diens overige vermogen en valt aldus buiten een persoonlijk faillissement van de trustee. De Trust is geen rechtspersoon.
In de praktijk zijn in de afgelopen jaren veel Trusts en buitenlandse stichtingen - zoals de Antilliaanse Stichting Particulier Fonds (SPF), Panama Foundation, Stiftung - opgericht, waarbij Nederlandse belastingplichtigen zijn betrokken als instellers of als begunstigden. Het vermogen in trusts en dergelijke stichtingen wordt vaak niet aangegeven bij de Belastingdienst. De inbrenger stelt zich op het standpunt dat het ingebrachte vermogen niet meer van hem is, en de begunstigden wijzen er op dat zij nog niets ontvangen hebben of zelfs niet op de hoogte zijn. Het vermogen wordt in die zin nergens belast, ook niet bij de Trust of de stichting zelf. Jaarlijkse heffing over het vermogen blijft achterwege en bij overlijden van een betrokkene wordt geen successierecht geheven.
Aan deze praktijk heeft de wetgever op 1 januari 2010 een einde willen maken door wijziging van de Successiewet (art. 16, 17, 26A Successiewet 1956). De Trust of buitenlandse stichting is per die datum fiscaal transparant. Er wordt door de trust of stichting, die wordt aangeduid als APV (afgezonderd particulier vermogen) heen gekeken. In feite wordt het bestaan van de Trust of stichting fiscaal volledig genegeerd. In een APV (art. 2.14a Wet IB 2001) is sprake van een afgezonderd vermogen om een particulier belang te dienen. De inbrenger moet het vermogen en de inkomsten er uit aangeven bij de aangifte inkomstenbelasting. Een schenking door het APV is belast met schenkbelasting. Bij overlijden van de inbrenger of diens erfgenamen wordt erfbelasting geheven.
Indien een inbrenger zijn spaargeld inbrengt in een trust blijft hij dit vermogen onverminderd aangeven in box 3. De inbreng wordt alsdan niet belast met schenkbelasting. Bij overlijden van de inbrenger erven de erfgenamen het vermogen in het APV. Zij dienen ieder hun deel van het vermogen aan te geven in box 3.

Verschillende ondernemers hebben in de afgelopen jaren gekozen voor een structuur bestaande uit een (buitenlandse) Trust of buitenlandse stichting (bijv. in Panama of de Nederlandse Antillen), een of meerdere LTD's (gevestigd in Engeland en/of Cyprus), en een Nederlandse open CV. Bij de Nederlandse KvK wordt slechts de CV ingeschreven en één LTD als beherend vennoot. Een Nederlandse stichting of andere rechtspersoon treedt in sommige varianten op als stille vennoot in de CV (indien deze vennoot niet daadwerkelijk betrokken is bij de interne besluitvorming, kan het bestaan van de CV overigens weer betwist worden). Dergelijke constructies zijn al jaren bekend bij FIOD/ECD en de Coördinatiegroep Constructiebestrijding Belastingdienst (CCB), die beleid heeft ontwikkeld voor de situatie waarin medewerkers van de Belastingdienst bij een controle op een dergelijke structuur stuiten - zij heeft deze concreet in het vizier.
Het aanbieden van deze wat complexe holdingstructuur, onder verschillende namen en in verschillende varianten, is op zich wettelijk toegestaan. De structuur, waarbij maar liefst 3 of 4 verschillende jurisdicties zijn betrokken, is voor de niet fiscaal onderlegde ondernemer vaak weinig inzichtelijk. Van het fiscale recht in Nederland, het recht in andere jurisdicties en het toepasselijke internationale recht, is daarvoor te weinig kennis aanwezig. De ondernemer gaat uit van de mededelingen gedaan door de aanbieder. De fiscale voordelen die volgens aanbieders behaald zouden kunnen worden, lijken aannemelijk en zouden volgens deze aanbieders vooral volgen uit de in Nederland geldende fiscale wetgeving. Nadrukkelijk wordt in alle varianten het zicht onttrokken ("volledig anoniem") aan de uiteindelijk begunstigde of economisch belanghebbende - de ondernemer zelf - die wèl weer optreedt als formele of feitelijke bestuurder. De belangrijkste voorgestelde fiscale voordelen die hierdoor zouden ontstaan in de sfeer van de loon-, dividend- en inkomstenbelasting - omdat de ondernemer nu "formeel" geen DGA of aanmerkelijkbelanghouder meer zou zijn - zijn echter evident onjuist. De aanbieder geeft een verkeerde voorstelling van zaken en verzaakt zijn mededelingsplicht. Hij laat na zijn cliënt "uit de droom te helpen". Aan de ondernemer komt dan ook een beroep toe op dwaling en de overeenkomst met de aanbieder van de structuur is in die zin vernietigbaar op grond van art. 6:228 BW. Bij een controle door de fiscus of bij het indienen van de aangifte Inkomstenbelasting kan voor de ondernemer een forse naheffing en boete volgen over soms meerdere jaren, met name in de sfeer van de loon- en inkomstenbelasting, maar tevens in box 2 als dividend is uitgekeerd aan de Trust. Voor het zijn van aandeelhouder in de zin van de aanmerkelijkbelangregeling en voor de toepassing van de gebruikelijkloonregeling is het namelijk in het geheel niet van belang of men juridisch of formeel eigenaar is van een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal. Het economisch belang bij de aandelen is doorslaggevend voor de belastingheffing.
Civielrechtelijk wordt in een aantal varianten een verdere onjuiste voorstelling van zaken gegeven door de aanbieder. In bepaalde gevallen in de praktijk wordt bijvoorbeeld door de ondernemer aangenomen dat in zijn opdracht een buitenlandse trust is opgericht, waar in werkelijkheid de aandelen alleen maar gehouden worden door een of meer buitenlandse pure holdingvennootschap(pen) als juridisch eigenaar op grond van een overeenkomst, en waarbij geen sprake is van een afgescheiden vermogen. De adviseur van een dergelijke "trust" behaalt hierdoor een aanzienlijk kostenvoordeel, hij hoeft immers geen (hoge) kosten te maken voor de door een buitenlandse trustee te leveren diensten. Er ontstaat in dat geval echter géén trustverhouding. Het aandelenbelang van de ondernemer wordt slechts formeel gehouden door zogenaamde plankvennootschappen van de adviseur. Fiscaal blijft de ondernemer gewoon als economisch belanghebbende van de aandelen belast in box 2 en is de gebruikelijkloonregeling van toepassing.
Voor de ondernemer die zijn aanmerkelijk belang (5% of meer van de aandelen) inbrengt in het vermogen van een Trust - direct of indirect via (buitenlandse) holdingvennootschappen - geldt sinds 1 januari 2010 dat de Trust fiscaal transparant is. De Trust wordt voor de Nederlandse belastingheffing geacht niet te bestaan of 'weggedacht'. Een achterliggend subject krijgt het trustvermogen toegerekend. De discretionaire bevoegdheden van de Trust of de trustee maken dit niet anders. Een onderscheid in naam, zoals irrevocable, revocable, discretionary of fixed, is voor de toepassing van art. 2.14a Wet IB 2001 volgens de wetsgeschiedenis niet relevant. Aan de door de wetgever gehanteerde begrippen moet een ruime strekking worden toegekend. Indien de trust deels discretionair en deels non-discretionair is, wordt het non-discretionaire deel toegerekend aan de begunstigde. (Zie de opmerkingen ten aanzien van de zogenaamde fixed trust - waarbij de gerechtigdheid van de begunstigden wordt vastgelegd bij de instelling, door E.R. Roelofs in 'De private Express Trust en de legitieme portie', die voor het non-discretionaire deel een economische deelgerechtigdheid constateert en de fictieve entiteitgedachte als uitgangspunt neemt voor de fiscale behandeling). In de Memorie van Toelichting op de Wijziging van de Successiewet (20 april 2009) geeft de toenmalige staatssecretaris De Jager uitdrukkelijk aan dat er door de inbreng van een aandelenbelang in de Trust fiscaal geen verandering optreedt: "Voor de aanmerkelijkbelangaandelen blijft dezelfde fiscale behandeling bestaan".
De instelling van de Trust heeft voor de ondernemer dan ook géén fiscaal voordeel.
Een uitzondering op de regeling geldt indien het APV zelfstandig in de belastingheffing wordt betrokken naar een redelijk tarief van ten minste 10%. In dat geval wordt het vermogen niet aan de inbrenger toegerekend.
Reeds op 1 januari 2010 bestaande Trusts en buitenlandse stichtingen vallen ook onder de nieuwe regeling. In een brief aan de Tweede kamer op 6 oktober 2009 zegt De Jager over bestaande APV's: "Met ingang van 2010 moeten alle afgezonderde vermogens aan de fiscus kenbaar worden gemaakt. (...) Doet de inbrenger dit niet, dan doet hij onmiskenbaar een onjuiste aangifte, hetgeen een strafbaar feit is." Een speciale projectgroep van de CCB is inmiddels belast met het actief detecteren van APV's. Via Tax Information Exchange Agreements en anderszins wordt informatie verkregen over in het buitenland aanwezige APV's.
Lees ook
Zoek hier in het Engels handelsregister
Uw rechtsvorm zelf oprichten binnen 10 minuten
Inschrijven en zaken doen in België